De taalontwikkeling van een kind is één van de mooiste dingen om van dichtbij te volgen.
Van het eerste huiltje tot het moment dat je kind zijn eerste zin uitspreekt, elk geluidje, woordje en zinnetje vertelt iets over hoe hun wereld groter wordt.
Taal leren gaat niet vanzelf, maar gebeurt in kleine stapjes die allemaal belangrijk zijn.
In deze blog lees je hoe die ontwikkeling verloopt, wat je kunt verwachten én hoe je je kind op een eenvoudige manier kunt helpen groeien in taal.
0 tot 1 jaar: De prelinguale fase
In het eerste levensjaar draait alles om luisteren, reageren en spelen met geluid. Baby’s worden steeds nieuwsgieriger naar stemmen, gezichten en klanken om zich heen.
-
0-2 maanden: baby’s communiceren vooral via huilen en kleine geluidjes. Zo laten ze weten dat ze honger hebben, moe zijn of gewoon aandacht willen.
-
2-6 maanden: ze beginnen te experimenteren met hun stem. Je hoort zachte, vrolijke geluidjes, “cooing” genoemd, zoals “oe” of “aa”.
-
6-9 maanden: het brabbelen begint. Denk aan ba-ba, da-da of ma-ma. Dit zijn nog geen echte woorden, maar belangrijke oefenmomenten voor hun mond- en tongspieren. Brabbelen is een belangrijke stap richting de eerste echte woorden. Sommige kinderen slaan deze stap over en gaan van geluidjes meteen over tot woordjes.
-
9-12 maanden: plots hoor je herkenbare woorden als “mama”, “papa” of “dag”. Deze woorden hebben nu echt betekenis. Deze beginnen ook intentioneler te worden. Ze gaan specifiek benoemen.
Tegen het einde van het eerste jaar herkennen de meeste baby’s al veel woorden, ook al spreken ze ze nog niet uit. Dit gaat over ongeveer 100 woorden.
1 tot 2,5 jaar: De vroeglinguale fase
Tussen één en twee jaar gaat het razendsnel. Kinderen lijken soms elke dag iets nieuws te leren. Ze luisteren overal , in de winkel, op straat, in de opvang, en nemen woorden op als een spons.
-
Kinderen gebruiken nu één woord om veel te zeggen. “Bal” kan betekenen: ik wil de bal, kijk daar! of ik speel graag met die bal.
-
Tussen 18 en 24 maanden ontstaan de eerste tweewoordzinnen, zoals mama eten, meer melk of papa auto.
-
Hun actieve woordenschat groeit van ongeveer 50 naar 500 woorden.
-
Ze begrijpen al duizenden woorden.
Je zult merken dat kinderen in deze fase echt beginnen te praten om contact te maken. Ze merken dat jij reageert op wat ze zeggen, en dat moedigt hen aan. Gebruik rijke taal, maar hou het eenvoudig. Praat in korte zinnen en herhaal vaak. Als je kind zegt “auto”, kun jij zeggen: “Ja, rode auto!”
Die dagelijkse gesprekken zijn belangrijk voor de groei van woordenschat.
2,5 tot 5 jaar: De differentiatiefase
Vanaf twee jaar beginnen kinderen echte zinnen te vormen. Hun taal wordt duidelijker en ze willen vooral begrepen worden.
-
Rond 2,5 jaar spreken ze in twee- tot driewoordzinnen.
-
Je hoort de zogenaamde telegramstijl: korte zinnen zonder kleine woordjes, zoals papa werk huis of ik koekje wil.
-
Rond 3 jaar gebruiken ze werkwoorden en beginnen zinnen te bouwen als “mama gaat koken” of “ik wil spelen”.
-
Ze stellen ook hun eerste vragen: “Wat dat?”, “Waar papa?”.
-
Hun woordenschat groeit tot ongeveer 1500 woorden.
Je kunt hun taalontwikkeling stimuleren door net iets uitgebreider te antwoorden. Zegt je kind “bal gooien”, dan kun jij zeggen: “Ik gooi de bal!”. Zo leren ze stap voor stap langere zinnen.
Extra ontwikkelingen binnen de diffentiatiefase:
3 tot 4 jaar: De zinnen krijgen vorm
Nu krijgt taal meer structuur en klank. Je hoort steeds langere zinnen en meer variatie in woorden.
-
Kinderen maken volledige zinnen met een goede volgorde.
-
Ze gebruiken verbindingswoorden zoals “en” en “maar” om gedachten aan elkaar te koppelen.
-
Ze stellen meer vragen: “Wie komt er?”, “Wat is dat?”, “Hoe werkt dat?”.
-
Rond 4 jaar praten ze in zinnen van drie tot vijf woorden die goed te begrijpen zijn.
Ze leren ook meervouden en verkleinwoorden gebruiken, al gaat dat soms nog mis. “Ik heb twee voets” of “ik slaapte” hoor je vaak. Verbeter dit niet te streng, maar herhaal de zin op de juiste manier: “Ja, je hebt twee voeten.” Door samen te praten, te zingen en voor te lezen leren ze vanzelf hoe het hoort.
Het onderzoek Infant Babbling and Speech van Cambridge University Press beschrijft mooi hoe klanken die kinderen in hun brabbelfase oefenden, hier terugkomen in echte woorden.
4 tot 6 jaar: Volzinnen en verhalen
Tussen vier en zes jaar zie je taal echt tot leven komen.
-
Kinderen gebruiken lange zinnen met meerdere delen.
-
Ze spreken in de verleden tijd (“ik heb gespeeld”) en gebruiken de gebiedende wijs (“kom eens kijken!”).
-
Ze voegen woorden toe zoals “omdat”, “toen”, “als” en “want”.
-
Hun actieve woordenschat groeit tot wel 3500 woorden of meer.
Rond zes jaar kunnen kinderen kleine verhalen vertellen, gevoelens onder woorden brengen en op vragen antwoorden met meer dan één zin. Ze begrijpen grapjes, verzinnen zelf woorden en gebruiken taal om te spelen.
In een onderzoek van Society for research in Child Development (2018) wijzen ze erop hoe kinderen met een rijke woordenschat later vaak vlotter leren lezen en schrijven.
Taalontwikkeling verloopt in kleine stapjes, maar elk stapje is waardevol. Van het eerste brabbeltje tot de eerste volzin. Ieder kind ontwikkelt zich op zijn eigen tempo. Het belangrijkste blijft: veel praten, goed luisteren en vooral plezier maken met taal op alle mogelijke manieren. Van voorlezen tot samen op ontdekkingsreis met speelgoed of gewoon een leuke trip in de auto. Want taal leren doe je niet alleen, dat doe je samen, elke dag opnieuw.