Wanneer je kind zijn eerste woordjes zegt, lijkt er een nieuwe wereld open te gaan. “Bal!”, “mama!”, “meer!” kleine woorden met grote betekenis. In de vroeglinguale fase (de tweede fase van de taalontwikkeling) ontdekken kinderen dat taal niet alleen iets is om te horen, maar ook iets waarmee je contact maakt, iets vraagt of samen plezier beleeft.
Volgens de principes van Hanen bevindt je kind zich in deze periode in de starterfase - de derde van vier communicatiefasen. (Zie blog: Hoe lok ik taal uit bij kinderen van 0-1 jaar? voor de eerdere fases). Je kind gebruikt losse woorden of klanken om iets duidelijk te maken, maar vormt nog geen echte zinnen. De communicatie wordt doelgericht: kinderen merken dat woorden werken.
Onderzoek van Leen van Dungen (Beginnende communicatie) laat zien dat kinderen in deze fase vooral leren door geslaagde interacties: momenten waarin ze merken dat hun pogingen tot communicatie effect hebben.
De starter: van losse woordjes naar betekenisvolle taal
In de vroeglinguale fase (ongeveer 1 tot 2,5 jaar) begrijpt het kind al veel meer dan het zelf kan zeggen. Woorden komen nog vaak één voor één, maar worden steeds bewuster ingezet. Het kind ontdekt dat “meer” iets oplevert, dat “weg” iets verandert, en dat taal invloed heeft op de wereld.
Taal groeit in échte interacties, niet in oefensessies, maar in warme, gezamenlijke momenten. Kinderen leren het meest leren wanneer volwassenen reacties afstemmen op hun initiatieven, kleine signalen opvangen en bevestigen.
Taaluitlokking in dagelijkse situaties
Dagelijkse verzorging
Denk hierbij aan handelingen zoals handen wassen, aankleden of eten bieden volop kansen voor taal. Benoem wat er gebeurt: “Kraan open”, “Zeep!”, “Spoelen… klaar!”. Wacht even wanneer het kind reageert met een woordje, gebaar of blik. Breid zijn poging uit met een extra woord: “Ja, nat water!”
Zo doe je dat:
-
Benoem elke stap kort en duidelijk.
-
Herhaal wat het kind zegt en voeg één woord toe.
-
Geef ruimte voor initiatief, zodat het kind kan reageren of meedoen.
Opruimen
Samen opruimen is een taalrijk moment. Benoem wat er gebeurt: “Blokken in de doos. Nog eentje… boem, dicht!”. Wacht even wanneer een kind een blok vasthoudt of wijst. Misschien zegt het “blok” of “weg” dan kun jij uitbreiden: “Ja, blok weg in de doos!”.
Zo doe je dat:
-
Wacht bewust en geef tijd om te reageren.
-
Herhaal wat het kind zegt en voeg één woord toe.
-
Gebruik korte, ritmische zinnetjes.
Buiten spelen
Buiten is taal overal: in wat je hoort, voelt en ziet. Wanneer een kind wijst naar een vogel of blaadjes verzamelt, geef woorden aan de ervaring: “Vliegt!”, “Groen blad”, “Blaadjes vallen!”.
Zo doe je dat:
-
Praat in het tempo van het kind.
-
Volg zijn aandacht, praat over wat het kind ziet, niet wat jij wilt laten zien.
-
Maak geluiden of klanken (“flap flap”, “boem”) om taal levendig te maken.
Taaluitlokking in spelsituaties
Open-ended play: kinderen ontdekken steeds meer hoe ze voorwerpen kunnen gebruiken en combineren. Voorbeelden:
- Move bottle kind zegt “Kijk!” "ooh!" "vallen!" "nat" "water"
- Auto’s of dieren laten rijden: “Auto gaat snel!”
Sensory play: zintuiglijk spel met verschillende materialen stimuleert gevoel, beweging en taal:
- Sensorische ballen
Benoem wat het kind voelt en ervaart: “rollen” “hard duwen” “zand is zacht” “Kijk, sporen maken”. Dit helpt het kind woorden te koppelen aan tactiele ervaringen en eigen acties.
Educatief spel: deze spelvormen worden nu iets complexer en kunnen probleemoplossend denken stimuleren:
- Stapelen van blokken en vormen sorteren
- Inlegpuzzel
Dit helpt het kind korte woordcombinaties en eenvoudige zinnen te gebruiken, bijvoorbeeld: “Rode blok past hier!” of “2 blokken vallen!”. Het kind hoeft zelf nog niet te tellen.
Zo doe je dat:
- Volg het initiatief van het kind en reageer op woordjes, gebaren of acties.
- Benoem wat het kind doet of ervaart, gebruik korte zinnen en concrete woorden.
- Breid uit met 1–2 extra woorden: “Bal!” → “Rode bal rollen!”
- Pauzeer zodat het kind zelf kan reageren met geluid, woord of gebaar.
- Verbind woorden aan tactiele ervaringen, acties en emoties.
- Herhaal en voorspel regelmatig, zodat taal gekoppeld wordt aan dagelijkse ervaringen.
- Moedig eenvoudige dialogen en interacties aan: vraag “Wat doet de pop?” of “Waar gaat de auto heen?”