Na de vroeglinguale fase komt de differentiatiefase (de laatste fase van de taalontwikkeling). In deze periode beginnen kinderen woorden te combineren. Er ontstaan eenvoudige grammaticale structuren en je merkt variatie in zinnen. Ze beginnen vragen te stellen, vertellen wat ze zien of doen, en gaan steeds complexere gedachten uitdrukken.
Volgens de principes van Hanen bevindt het kind zich in de bouwerfase: ze starten met het combineren van woorden, voegen betekenissen samen en leren dat taal kan uitleggen, overtuigen of zaken in vraag kan stellen. Onderzoek laat zien dat kinderen in deze fase vooral leren door interactieve gesprekken, waarin volwassenen hun initiatieven erkennen, uitbreiden en bevestigen. (zie vorige blogposts: Hoe lok ik taal uit bij kinderen van 0 tot 1 jaar en Hoe lok ik taal uit bij kinderen van 1 tot 2,5 jaar voor informatie over vorige fases).
De bouwer: van losse woorden naar zinnen
In deze fase groeit de woordenschat snel. Kinderen gebruiken nu vaak twee- tot vierwoordzinnen zoals: “Mama geeft bal”, “Ik wil meer water”, of “Vogel vliegt hoog!”. Naarmate ze richting 5 jaar gaan, merk je complexere zinsstructuren op. Ze leren taal gebruiken om te redeneren, vragen te stellen, samen te spelen en hun gedachten te delen.
Spel en dagelijkse routines blijven cruciaal. Kinderen leren taal niet alleen door woorden te horen, maar door te ervaren dat hun woorden effect hebben en dat communiceren leuk is.
Taaluitlokking in dagelijkse situaties
Ochtend- en avondroutine
Routines zoals aankleden, tandenpoetsen of naar bed gaan zijn ideaal om woordenschat en korte zinnen te oefenen. Benoem acties en gevoelens: “Sok aan, andere sok ook?”, “Lampje uit of aan?” Wacht op reactie van het kind en breid uit: “Ja, sokken aan, klaar voor de dag!”
Zo doe je dat:
-
Benoem elke stap kort en duidelijk.
-
Herhaal wat het kind zegt en voeg één extra woord toe.
-
Laat het kind keuzes maken en reageer op initiatief.
Tafelmomenten
Tijdens maaltijden oefent het kind woorden en combinaties: “Meer appel”, “Ik wil melk”, “Lekker brood!”. Benoem wat het kind doet en breid uit: “Ja, meer appel voor jou!”.
Zo doe je dat:
-
Wacht even op reactie van het kind.
-
Breid zijn woorden uit tot korte zinnen.
-
Gebruik voorspelbare zinnen die telkens terugkomen.
Beweeg- en buitenspelen
Tijdens spelen, klimmen of springen kan taal gekoppeld worden aan beweging: “Ik spring hoog!”, “Kijk, ik gooi bal!”, “Rennen naar de deur!”. Benoem, breid uit en stel eenvoudige vragen: “Hoe hoog spring je?”
Zo doe je dat:
-
Beschrijf acties die het kind uitvoert.
-
Stel vragen die uitnodigen tot langere zinnen.
-
Geef woorden aan emoties: “Spannend hè?”, “Leuk springen!”.
Taaluitlokking in spelsituaties
Spel is in de differentiatiefase een krachtige bron voor taalontwikkeling. Het kind leert woorden combineren, korte zinnen maken en betekenis geven aan handelingen.
Open-ended play: spelen zonder vast doel geeft kinderen de vrijheid om verhalen te maken, rollen te spelen en ideeën uit te drukken. Voorbeelden:
-
Bouwen met blokken: “Toren bouwen”
- Spelen met Grimms figuren - fantasiespel
Zo doe je dat:
-
Laat het kind kiezen wat het doet en volg zijn interesse.
-
Benoem acties en gevoelens en breid uit naar korte zinnen.
-
Herhaal woorden en modelleer langere zinnen
Rollenspel en fantasiespel leert kinderen taal gebruiken om verhalen te vertellen en gevoelens te uiten. Vanaf deze fase komt dit meer in beeld.
Zo doe je dat:
-
Speel mee, maar laat het kind leiding nemen.
-
Moedig dialogen aan tussen kind en pop of kind en volwassene.
Sensory play: met bijvoorbeeld de suprise pot van inventation to imagine.
Zo doe je dat:
-
Benoem wat het kind voelt, ziet of hoort.
-
Stel eenvoudige vragen die uitnodigen tot taal.
Educatief spel: zoals (vertel)puzzels, tellen, sorteren, zoekboeken, interactieve gezelschapspellen versterken begrip en woordenschat. Het kind leert woorden combineren en uitleggen.
Zo doe je dat:
-
Focus op het proces, niet op het resultaat.
-
Laat het kind aanwijzen, benoemen of uitleggen.
In de differentiatiefase ontdekt het kind hoe woorden gecombineerd kunnen worden om zijn wereld te beschrijven, vragen te stellen en gedachten te delen. Door te benoemen, uit te breiden en het initiatief van het kind te volgen, groeit taal op een natuurlijke en betekenisvolle manier.